![]() |
![]() |
||||||||
|
|
|||||||||
|
|
|||||||||
|
|
|||||||||
|
|
|||||||||
|
|||||||||
|
|
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||||
|
|
Direct na binnenkomst valt Frans Wolbers binnen. Frans is door ons belast met het in kaart brengen van de relaties die we met de eerste lijn onderhouden, onze belangrijkste opdrachtgevers. We hebben daar op dit moment onvoldoende zicht op. Het overleg met de huisartsenkring Twente begint goed op gang te komen, maar de contacten met individuele hagro’s (huisartsengroepen) is nogal wisselend. In onze recent gepubliceerde visie willen we topzorg en complexe zorg concentreren, maar zorg voor de chronische patiënt juist déconcentreren. Dat is ook één van de drie pijlers, die we voor het profiel van onze MST- vestiging in Oldenzaal voor ogen hebben. Ik bedoel o.a. de ontwikkeling van zorgstraten voor de zorg en behandeling van een aantal veel voorkomende chronische aandoeningen. Dergelijke patiënten worden nu nog veelvuldig poliklinisch in ons ziekenhuis gezien, maar dat zou ook kunnen gebeuren door nurse practitioners, die de schakel vormen tussen huisarts en specialist. De huisartsen geven aan nog niet toe te zijn aan gesprekken hierover. Begrijpelijk, er zijn hun al heel wat mooie plannen voorgeschoteld en men wil eerst wat meer duidelijkheid daarover. Die willen wij vanzelfsprekend te allen tijde geven. Vanmorgen bezoek ik in het kader van mijn wekelijks afdelingsbezoek de verpleegafdeling reumatologie en orthopedie in ons ziekenhuis. Ik loop met Lidy Schoolkate rond over de afdeling, die twee nogal verschillende categorieën patienten herbergt, orthopedische en reumatologische, die verschillen ook nogal in hun verpleegkundige aanpak. Voor orthopedie- patiënten is snelle mobilisatie de marsroute, bij de reumatologiegroep gaat dat wat behoedzamer, begrijp ik van de verpleegkundigen die ik spreek vanmorgen. In de koffiekamer praten we over hun werk. Dat doen ze allemaal graag, sommigen al vele jaren op deze afdeling. Zingeving is in een ziekenhuisomgeving zelden een issue. Je doet belangrijk werk, veel meer is het de steeds maar veranderende organisatie, wat vaak als een inbreuk wordt gezien op de eigen beproefde werkwijze. We bespreken een aantal zaken met elkaar, men noemt het geslaagde experiment met de broodwagen, waar de patiënt anders dan nu zelf zijn broodmaaltijd kan samenstellen in plaats van het voorgeprogrammeerde blad uit de keuken, één of meer dagen ervoor besteld. Iemand wijst me op het volstrekte gebrek aan privacy, wanneer intakegesprekken plaatsvinden, de anamnese bij opname, waar velen kunnen meeluisteren naar persoonlijke zaken van de patiënt. Dat is inderdaad een probleem, eigenlijk ook al bij de visites van de dokters op de kamers, waar anderen ongewild mee luisteren naar wat de dokter aan jou of je buurman te vertellen heeft. Ook het vermaledijde kleedhok komt even langs. Daar zijn we het over eens, dat moet anders, maar ik leg uit dat we moeten ophouden met oplappen en pleisters plakken, maar ons moeten richten op een efficiënte en aangenaam nieuwe huisvesting. Aansluitend bezoek ik de poli reumatologie. Daar spreek ik met het afdelingshoofd over de organisatie. Ze maakt zich wat zorgen over de nogal verschillende regels die de verschillende poliklinieken hanteren, bijvoorbeeld ten aanzien van afspraken. Men hanteert soms nogal sterk verschillende tijden, waarop die gemaakt kunnen worden en dat is moeilijk te volgen voor de patiënt, die op vaak verschillende afdelingen moet terugkomen. Wat meer synchronisatie zou goed zijn. Ik praat ook met de nurse practitioner, die me haar werk uitlegt. Zelf begon ik in de late jaren 80 met een hartfalenpoli met een verpleegkundige, maar die crashte na een paar jaar door logistieke problemen, maar ook door de onwennigheid van patiënt en dokter, dat anderen de controles doen. Inmiddels is de nurse practitioner een vertrouwde verschijning geworden, neemt – meestal een zij - de dokter veel werk uit handen en heeft vaak meer tijd voor de patiënt. Recepten schrijven kunnen ze ook, maar dat staat de wet nog niet toe, maar daar komt waarschijnlijk verandering in. Tijdens ons lunchoverleg met het Medisch StafBestuur worden we door Cees Schenkeveld, hoofd van de SpoedEisende Hulp en behandelpoli’s en traumachirurg Paul Bertelink bijgepraat over de status quo van het traumacentrum en de ontwikkeling van het ‘bureau traumazorg’, dat vanuit MST opereert voor de hele regio. Verder staan we heel even stil bij het recent door de minister vastgestelde uurhonorarium medisch specialisten. Vraag is wat dat kan betekenen voor de verhouding specialist – bestuur van het ziekenhuis. Samen met Chris Bronkhorst, lang geleden LSV-Orde van Medisch Specialisten, maar al weer vele jaren werkend voor de Nederlandse Vereniging van Ziekenhuizen NVZ, brengen we in kaart hoe onze relaties formeel liggen en hoe zich dat verhoudt tot de modus operandi, die we willen blijven volgen en ontwikkelen. In veel ziekenhuizen wordt naar de wijze waarop de specialisten in het ziekenhuisbestuur participeren gekeken. Die verschilt aanzienlijk van huis tot huis. De organisatiestructuur die we nu willen invoeren lijkt overigens veel op wat de LSV in 1976 al eens voorstelde in haar nota ‘LSV, relatie bestuur, directie en medische staf’, aldus Hein Abeln vorige week. Hij schreef er een artikel over, dat ik zal lezen en verspreiden. Met Bonno Hylkema overleg ik over de algemene Intensive Care, de organisatie en de wijze waarop we daar verbeteringen kunnen doorvoeren. Daarin zijn we niet bijzonder, want internationaal is er veel gaande de outcome te verbeteren. Sinds enige tijd doet onze IC ook mee aan het internationale programma “surviving sepsis”, waar ik tijdens onze reis naar de VS in december ook al mee in aanraking kwam. Steeds meer ziekenhuizen sluiten zich bij de surviving sepsis campaign aan om deze doelstelling te behalen. “Deze campagne is een internationaal initiatief van onder andere de European Society of Intensive Care Medicine (ESICM) en de Society of Critical Care Medicine (SCCM) om de bekendheid met sepsis te bevorderen en de uitkomst van de behandeling van ernstige sepsis te verbeteren” (zie www.survivingsepsis.nl). Met Herman Feringa rij ik naar Denekamp voor een bezoek aan het klooster van de Zusters Franciscanessen, al meer dan een eeuw gevestigd in het Gravenhuis aldaar. Deze orde stichtte ooit het Sint Jozefziekenhuis in Enschede, voorloper van het latere ziekenhuis Stadsmaten, dat in 1988 fuseerde met Ziekenzorg en het ziekenhuis Heil der Kranken in Oldenzaal in het huidige MST. We drinken thee met Zuster Elise en Zuster Aquino en praten over de ontwikkelingen in de zorg, in het bijzonder MST. Ik ervaar in ons gesprek een balans tussen toewijding en onafhankelijkheid. Religieuze toewijding is natuurlijk voorbehouden aan de religieuses, maar toewijding vanuit welke inspiratie dan ook is een basisingrediënt zonder welke goede zorg voor afhankelijke patiënten niet kan. Onafhankelijkheid als professional is ook zo’n basisingrediënt. Zorg geef je vanuit je professionele verantwoordelijkheid, die gebaseerd is op een beperkte set open normen of geboden. Helaas hebben we in ons wantrouwen zoveel regels verzonnen, dat het zicht op de norm waarvan ze zijn afgeleid ons wordt ontnomen. Later voegt Zuster Hermien zich bij ons, zij werkte lange tijd als directrice in Igogwe in Tanzania, in een ziekenhuis, dat ook werd gesticht door deze Orde. Ook nu nog gaan er artsen en hulpmiddelen ook van ons ziekenhuis naar Tanzania. Herman Feringa is één van de grote gangmakers daarin. Hij heeft een fotoboek meegenomen met foto’s uit Tanzania, bestemd voor Zuster Hermien. Ze leidt ons rond en we bezoeken achtereenvolgens het verzorgingstehuis en het retraitehuis. In het eerste zien we onder de vele oude zusters ook nog een enkele 97-jarige (!!) die in ons ziekenhuis heeft gewerkt. Het retraitehuis is een oase van rust en eigenlijk heel geschikt om ook eens met een groepje van ons te benutten voor een heidag. Aansluitend rijden we naar Oldenzaal. Daar ontmoet ik ten stadhuize het bestuur van de Vereniging Houdt Ziekenhuis Noord Oost Twente Gezond. Ik geef een presentatie over de MST-visie op zorg en het profiel dat wij voor Oldenzaal voor ogen hebben. Het is een aanpak, waarmee we proberen aan te sluiten bij de wens van Oldenzaal hun ziekenhuis te behouden, maar tegelijk bij de snelle ontwikkelingen, die de gezondheidszorg vandaag de dag doormaakt. Het klassieke, kleine onafhankelijke ziekenhuis kan daarin moeilijk overleven. Er zijn inmiddels zelfstandige behandelcentra ontstaan, die een klein segment van de ‘markt’ bedienen. Grote ziekenhuizen ordenen hun patiëntenaanbod in grofweg vier stromen, acute zorg, complexe/topklinische zorg, niet-complexe zogenaamde electieve zorg en last but not least zorg voor de chronische patiënt. Oldenzaal willen we ontwikkelen tot een slagvaardig en efficiënt ‘Electief BehandelCentrum’ (EBC). Dat is prioriteit één. Ik noemde al ons voornemen de zorg voor chronische patienten te willen ondersteunen in de vorm van een transmuraal centrum. Dat heeft alleen kans van slagen als de huisartsen dat ook willen. De berichten dat we van het ziekenhuis een verpleeghuis zouden willen maken, zijn echt uit de lucht gegrepen. We gaan onderzoek doen, niet meer dan dat, naar de haalbaarheid van een woonzorgcentrum naar buitenlands voorbeeld, dat is alles behalve een verpleeghuis, niets zonder nauwe afstemming en overleg met het stadsbestuur, de bestaande zorgaanbieders en natuurlijk met de wensen van patiënten en consumenten in het vizier. |
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||
|
|
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||