
Om kwart voor drie rijden we de Prinsenstraat in Enschede in. De synagoge stroomt vol. Het buitengewone kerkvolk van deze middag komt daar op uitnodiging van de Stichting Synagoge Enschede. Die organiseert een reeks debatten, waarvan dit het eerste is na een inleiding van Job Cohen. Ik word verwelkomd door een lid van de Israëlitische gemeente, waarvan er overigens meer rondlopen, mede herkenbaar door hun keppeltjes.
Maar ze zijn vandaag in de minderheid in hun eigen gebouw. Velen komen van buiten hun kleine gemeenschap. Zo treed ik als gastheer op voor, resp. word vergezeld door een aantal dertigers/begin veertigers uit ons ziekenhuis: gynecoloog dr. Ingrid van Zon-Rabelink, apotheker dr. Hadewig Colen, longarts dr. Albert Polman en radioloog Jan Avenarius. Prof Huib de Jong, voorzitter van de stichting leidt in en legt uit. Job Cohen is uitgenodigd door de grote animator van deze middag Jaap Klein, oude vriend en huisgenoot tijdens hun studietijd in Groningen. Cohen houdt een prachtig verhaal over integratie of zijn mantra: ‘hoe houwen we de boel bij mekaar’. Dat blijkt een uitspraak van good old Joop den Uyl. We waren een land van zuilen en Job noemt ze allemaal, ook die ene 'non' zuil, de seculiere liberale, waar ik zelf uit stam, benoemt hij zo. Die van NRC en AVRO en later misschien VPRO. Het was deze zuil naast de socialistische, waar ook veel Joden voor W.O. II zich toe bekeerden, assimilerend in de Nederlandse samenleving, aldus Cohen. Cohen pleit nu meer voor integratie dan assimilatie van allochtonen, in meerderheid Islamieten stammend uit Marokko en Turkije. De discussie is geanimeerd en zeer gevarieerd. Ik vraag me daarin voorzichtig, maar hardop af hoe we met al onze tolerantie onze door de eeuwen heen opgebouwde burgerlijke vrijheden vasthouden. Ik citeer Jonathan Israel uit zijn imponerende boek ‘The Republic’ over het ontstaan van de Nederlandse staat tussen het eind van de vijftiende eeuw en het begin van de negentiende eeuw, het einde van de republiek.
We drinken nog een glas en praten na met deze en gene uit de Twentse samenleving. De gesprekken zijn goed, nu nog de praktijk, die is veel weerbarstiger dan de leer, want de werkelijke interface tussen 'wit' en 'zwart' is niet het samenkomen in dit aangename gezelschap op de zondagmiddag, maar in het leven van alle dag in de wijken en de straten van onze grote steden, waar 'wit' en 'zwart' dagelijks moeten samenleven en samenwerken, zoals morgen weer in ons ziekenhuis. Daar is dat samenleven en samenwerken aan de orde van de dag. In de ondersteunende echelons werkt een groeiend aantal mensen van niet-westerse oorsprong, in de overwegend mannelijke 'witte' medische staf is dat nog maar een enkeling. Ook dat zal de komende decennia gaan veranderen. Het artsenberoep feminiseert niet alleen in hoog tempo, maar is populair onder de eerste generatie allochtonen die gaat studeren.
Ik ga om zes uur naar huis, en schud Job Cohen nog even de hand. Ook ik ken hem - zij het minder goed dan Jaap Klein - van onze studententijd in Groningen eind jaren zestig via het traditionele Vindicat.
|