
Onderweg naar Enschede hoor ik op Radio 1 een kort interview van Rob Trip met Lya den Ouden, Inspecteur Gezondheidszorg, over het belang van hartfalenpoli's, waarover ze met twee collegae schrijft in Medisch Contact deze week.
Lya den Ouden heeft in korte tijd een fantastisch trackrecord opgebouwd bij de Inspectie met gezaghebbende rapporten over de neonatale en volwassen intensive cares in ons land en was een drijvende kracht achter de prestatie-indicatoren. Dit artikel is qua onderwerp ook weer een schot in de roos. Belangrijk is wel dat we ons realiseren dat de toename van hartfalen in ons land vooral het gevolg is van succesvolle vroege interventie van het hartinfarct. Mensen die vroeger overleden, blijven nu veel langer leven, maar worden wel geconfronteerd met hartfalen, de pomp doet het gewoon minder goed. Dat vraagt om een aanpak niet alleen gericht op goede behandeling met de juiste medicijnen door de cardioloog, maar ook op herstel en onderhoud van zelfredzaamheid thuis en daarin reikt de invloed van een hartfalenverpleegkundige als die het goed doet, veel verder dan die van de kliniek gebonden cardioloog. Verder moeten we ons ook realiseren dat al te harde uitspraken over het nut en zeker het evidence based zijn van hartfalenpoliklinieken nog niet mogelijk is. Ik wil daarmee niets afdoen aan het belang en de kwaliteit van de behandeling, die de patiënt percipieert, maar niet vast staat bijvoorbeeld wie het meeste baat heeft van deze benadering van het probleem. Alle patiënten met symptomen van hartfalen er dan maar heen sturen, dus ook de lichtere gevallen, aangeduid als klasse II, is praktisch onmogelijk. Het zijn er gewoon te veel en het accent van de behandeling bij vooral de lichte vormen ligt dan nog vaak op de aanleiding voor de pompfunctiestoornis en daar is de cardioloog aan zet.
De Raad van Bestuur vergadert tot na de lunch. Veel going concern, daar zijn we ook voor, gewoon met de benen op de grond de tent runnen is de opdracht, naast alle grote veranderstrategieën. Bert Vos bericht ons uit de vergadering van de Nederlandse Vereniging van Ziekenhuizen NVZ. in Utrecht. Er is gesproken over de wijze waarop de ziekenhuizen hun rol in de markt gezondheidszorg moeten vervullen. Het zal een toch behoorlijk gereguleerde markt worden of moeten we zeggen blijven, waar concurrentie 'maatstafconcurrentie' heet, waar sprake blijft van een macrobudget gezondheidszorg (BKZ = budgettair kader zorg) als deksel op de ketel van de immer groeiende vraag naar zorg. De vraag in de markt mag dus niet onbelemmerd groeien, het BKZ begrenst die groei en dat brengt wel enige beperking aan in de hantering van het begrip vraaggestuurde zorg. Het teveel geproduceerde over het afgelopen jaar (2005) bijvoorbeeld moeten we ondanks het partiële gelijk dat de NVZ van de rechter kreeg over de budgetoverschrijding van 200 miljoen (lees te veel of te duur geleverde zorg), links of rechts om toch samen met de zorgverzekeraar compenseren. Dus zullen we de groei van de vraag net als in de jaren '90 deels zelf door dalende prijzen betalen. Dalende prijzen in een markt zie je wel meer, ook in een vrije markt, kijk naar de moordende concurrentie in de supermarkten, ook aangeduid als supermarktoorlog. In de zorg gaat dat dalen dus deels via macroprogrammering. Nog even die maatstafconcurrentie, dat is een begrip van de NMA en bekend uit de prijsvorming bij elektriciteitsbedrijven en de telecommarkt, beheerd door DTE en OPTA. Het begint met een vergelijking van prestaties en identificatie van best practices. Dat is benchmarking. Maatstafconcurrentie gaat een stap verder en verbindt consequenties aan benchmarking. Achterblijvers worden 'gestraft' met kortingen, voorlopers 'beloond' met bonussen. Als je als ziekenhuis hierin wilt scoren, kan dat niet anders dan door het sterk stimuleren van best practices op de werkvloer. Onze projecten met Plexus zijn hierop gericht.
Marianne Lensink zegt in de Raad van Bestuur-vergadering dat de huisartsen in Enschede bezorgd zijn over de realisatie van de huisartsenpost in de ruimten waar nu de Raad van Bestuur huist, gelet onze zorgen over de kosten. We stellen nog eens vast dat de huisartsenpost er hoe dan ook komt op het afgesproken tijdstip, alles volgens de vigerende afspraken. Over onze toekomstige en ook weer tijdelijke plek beraden we ons nog. Dat heeft dus wel haast, want op 1 mei moeten we hier weg zijn.
Eind van de middag spreek ik met de medewerkers van ons Instituut voor Toegepast Wetenschappelijk Onderzoek (ITWO), een vrouw of tien, die de zeer uiteenlopende aspecten van het ontwerp, beheer en evaluatie van wetenschappelijk onderzoek in ons ziekenhuis bestieren onder leiding van Job van der Palen, gepositioneerd binnen de Medical School. We praten ook over de mogelijke rol van het ITWO in de Twentse Academie voor Gezondheidszorg, samen op te richten met de andere aanbieders van onderwijs (ROC, hogeschool, ziekenhuizen en universiteit) op het terrein van de gezondheidszorg in ons landsdeel.
Ik rijd met Marianne Lensink naar huis; we evalueren de voortgang deze week en zijn niet ontevreden. Er zit duidelijk beweging in de zaak. Er zijn geen hindermachten actief, wel zien we hier en daar beperkte mogelijkheden van inzet, verklaarbaar door drukte, andere al lopende programma's.
|