
Om half negen ontmoeten Mariska de Groot en ik Hein Abeln en Anke ter Horst (Twynstra Gudde/TG) in het Mercure Hotel langs de A1 bij Deventer. We komen bijeen in een ruimte aangeduid als de business lounge, die het gevoel oproept van een gelijknamige lounge op een internationaal vliegveld, waar we ieder moment een boarding call kunnen verwachten.
Maar het is en blijft good old Deventer waar we efficiënt en snel de klokken gelijk zetten met betrekking tot de strategieontwikkeling en de daarvoor nodige marktverkenning, die TG voor ons gaat uitvoeren. We stellen vast dat we die laatste niet met eigen mensen moeten doen om te voorkomen dat er meteen een interactie ontstaat tussen onze omgeving en MST.
Ik arriveer ruim op tijd bij de Universiteit Twente, waar onder leiding van Jacques Troch, lid van onze Raad van Commissarissen, een studiedag plaatsvindt over governance. In de rij wachtend voor de registratiebalie maak ik kennis met Egbert ten Cate, telg uit een oud geslacht van textielondernemers. Ik zie daarna ook Joop ter Haar. Hij spreekt vanmorgen over het bedrijf van zijn familie, de OAD, waar hij zelf president-commissaris van is. Het is een authentiek persoonlijk verhaal van een lid van een hardwerkende ondernemersfamilie, waarvan hij de tweede generatie is en het bedrijf groot maakte. Hij vertelt hoe binnen hun onderneming het bestuur en toezicht is geregeld sinds zijn vertrek als algemeen directeur-eigenaar. Tijdens de paneldiscussie, zeer energiek en met goed getimede kwinkslagen geleid door prof. Troch, wordt ingezoomd op het verschil tussen het besturen van een beursgenoteerde onderneming en een familieonderneming. Er zijn grote verschillen, één ervan is dat in een beursgenoteerde onderneming het ongewenst is volgens de code Tabaksblatt dat de directeur doorschuift naar de Raad van Commissarissen en zelfs voorzitter (president) wordt van de raad. Dat bepaal je in de familieonderneming uiteindelijk zelf, zegt Joop ter Haar tenslotte. 's Middags komt de coöperatie aan bod, maar ik moet weer naar het ziekenhuis. Het zou aardig zijn in zo'n cyclus ook de governance van de organisatie Ziekenhuis, die een hybride is van een commercieel productiebedrijf en een semipublieke bureacratie, onder de loupe te nemen.
Bijzonder in een ziekenhuis is bovendien de rol van de maatschappen, die ook financieel eigenaar zijn van hun deel van het medisch specialistisch proces, maar tegelijk zeer verweven zijn met de ziekenhuisorganisatie. Met het Medisch Stafbestuur zijn we al enige tijd wat aan het verkennen hoe de governancestructuur beter recht kan doen aan verantwoordelijkheden enerzijds en de praktijkeigendomsverhoudingen anderzijds.
In ons wekelijks overleg RvB-Medisch Stafbestuur zoomen we in op de relatie met de eerste lijn, die Frans Wolbers voor ons inventariseert. De tijd van reactief zijn op onze buitenwereld is voorbij, we zullen proactief aan de slag moeten om aansluiting te houden daarmee, te beginnen met de eerste lijn, in het bijzonder de huisartsen. Men organiseert zichzelf in de eerste lijn steeds steviger met steun van de verzekeraars met als marsroute zorg zo veel mogelijk in de eerste lijn, c.q. buiten het ziekenhuis te verlenen waar dat mogelijk en verantwoord is. Naar onze gepubliceerde visie op zorg kijkend kunnen we het daar alleen maar mee eens zijn. Toch zal het ziekenhuis in de voorzienbare toekomst een steeds belangrijker medisch station blijken met een geneeskunde die in belang groeit met de technische mogelijkheden van ultraprecieze vroegdiagnostiek en behandeling enerzijds en anderzijds de reparatiegeneeskunde waar vrijwel iedere burger mee te maken kan krijgen, voor zichzelf of in zijn directe omgeving van verwanten. Dat vereist een keten of beter een netwerk van zorg en niet een Alleingang van de eerste lijn of ziekenhuis. Als ik met huisartsen spreek, ben ik daar ook niet zo bang voor. Uiteindelijk werken we aan hetzelfde probleem, maar moeten we onze diensten wel beter op elkaar laten aansluiten. Laten wij als ziekenhuis die handschoen oppakken en de reputatie van afstandelijkheid, moeilijke bereikbaarheid en zo meer logenstraffen.
Alp Buitelaar schetst vervolgens de aanpak van de totstandkoming van het LTHP met soms heel fundamentele vragen als ‘moeten we het hoofdgebouw aan de Haaksbergerstraat ook niet amoveren, gelet de verouderde staat en beperkte mogelijkheden tot zinvolle renovatie’. Dat klinkt spannend en wil ook iedereen, maar er moet wel een goed plan en financiering onderliggen.
Harry Abels legt de Raad van Bestuur een plan voor omtrent de inrichting van onze toekomstige semipermanente werkruimten in het oude OK-complex aan het Ariënsplein. Harry stelt voor het karakter van het oorspronkelijke doel van de ruimten als uitgangspunt te kiezen voor de stijl van verbouwen en inrichten. Klinkt interessant.
Om vijf uur is er weer Studium Generale. Oorspronkelijk was dit tweewekelijks event in de 'collegezaal' van het Dish-hotel bedoeld als onderwijscyclus voor managers, medisch coördinatoren en allen met een realistische ambitie voor een dergelijke functie. De zaal zit voor tweederde vol. Specialisten zijn in de minderheid en zijn er vooral in hun rol als medisch coördinator en beoogd medisch manager. Het is hun proces dat centraal staat. Vanmiddag treedt Maurits de Brauw op, chirurg, die vertelt over zijn 'liesbreuk express' in Mesos Medisch Centrum. Alles in één dag klaar, van indicatiestelling tot operatie. Het verhaal er na van Marc Rouppe van der Voort kan ik helaas maar zeer gedeeltelijk bijwonen, want ik moet weer op huizenjacht en veel gelegenheid heb ik daar niet voor overdag.
Na ons rondje huizen kijken, praten we na met de makelaar in een dorpscafé in Boekelo. Er is keuze, dat maakt het niet makkelijker. Zouden we hier aarden, denk je dan. Het gevoel en de sfeer is goed, dus dat zal waarachtig wel lukken.
J. Herre Kingma
|