
Het weekrapport benutten we om onze zorgen uit te spreken over het vrijwel ontbreken van voortgang op het punt van de ombuigingen. Van de vijftien miljoen euro is drie ton binnen. Als er geen verdere voorstellen komen, ontkomen we niet aan de platte kaasschaaf. Die vraagt ruwweg twee maal drie procent voor respectievelijk bezuinigingen ten behoeve van de taakstelling ex regeerakkoord en drie procent ten behoeve van versterking eigen vermogen, bouw en voor wat ik maar aanduid als nieuw voor oud beleid. We hijsen nu de stormbal en vragen de clustermanagers binnen anderhalve dag met aanvullende voorstellen te komen.
Om elf uur zie ik de cardiologen Molhoek en van der Burgh over regionale samenwerking, in het bijzonder met de cardiologen van Ziekenhuisgroep Twente in Hengelo-Almelo. De minister overweegt een groot deel van de interventiecardiologie vrij te geven, dus niet meer vergunningplichtig te houden. Dat betekent dat er dan buiten de officiële hartcentra mag worden gedotterd. Dat lijkt mooi en goed voor de spreiding, maar de huidige concentratie in achttien centra, redelijk evenwichtig verspreid over ons land, heeft tot grote kwaliteit en veiligheid geleid, die gemakkelijk teniet wordt gedaan door spreiding uit economische motieven. Een oplossing zou kunnen zijn de regionale cardiologen veel directer te betrekken bij 'hun' regionale hartcentrum. Welke richting wordt gekozen is nog te bezien. Het is goed dat er nu beweging komt.
Marianne Lensink en ik lunchen met een groep van zo'n tien medewerkers van de Apotheek. We praten over scholing en de bekostiging daarvan. De medewerkers hechten daar sterk aan. Ook zij willen meegroeien met de ontwikkelingen in farmacie. We leggen uit dat de budgetten voor na- en bijscholing worden overgeheveld naar de Medical School. Die moet er dan ook voor zorgen dat de gewenste nascholing er komt, althans als die voldoende bijdraagt aan de ziekenhuisprocessen. Verder praten we over de organisatie ontwikkeling. Sommigen zien weinig in de op handen zijnde veranderingen en houden het liever bij het oude. Wij geven onze argumenten nog eens, die ook uit de organisatie zelf komen, zoals de noodzakelijke beperking van de span of control, die moet leiden tot meer aandacht voor de medewerkers. Dan is er ook meer tijd voor de jaargesprekken. De uitkomsten daarvan komen uiteindelijk ook op het bureau van de Raad van Bestuur en zo beïnvloedt dat ook het beleid van het ziekenhuis.
Vanmiddag overleggen we met de burgemeester van Enschede, Peter den Oudsten, nu in zijn rol als regiovoorzitter en Marijke van Hees als directeur IZIT. Het onderwerp is ook IZIT, het Twentse ICT initiatief. Bert Vos is aanwezig als voorzitter IZIT bestuur en ikzelf als trekker van het cluster gezondheid en techniek van het Innovatieplatform Twente (IPT). We zijn het erover eens dat het IZIT programma heel goed een plaats zou kunnen krijgen in het IPT. Een functionerend regionaal iCT netwerk is een conditio sine qua non voor het bereiken van een zorgcontinuüm, dat wij als doel hebben geformuleerd voor het cluster gezondheid en technologie. Den Oudsten en ik zullen ons daarvoor hard maken als leden van het IPT.
Mijn laatste afspraak in het ziekenhuis vanmiddag is met de heer van Rijmenam, directeur GGD Twente en de heer Schouten, wethouder volksgezondheid te Almelo en Twents portefeuillehouder openbare gezondheidszorg. Ik sprak al eerder met wethouder Wallinga van Enschede en burgemeester Backhuis over de rol van de curatieve (ziekenhuis-) zorg bij preventie. Als we echt voortgang willen maken in het terugdringen van diabetes, hart- en vaatziekten en kanker dan begint dat natuurlijk met primaire preventie, dus goede en minder calorierijke voeding en voldoende beweging. Dat bevorder je niet met meer dokters en grotere ziekenhuizen, maar met een groter aanbod van goede voeding tijdens de opvoeding en het stimuleren van lichamelijke inspanning door veel meer groen in woonwijken te realiseren, goeie fiets- en wandelpaden aan te leggen, bevordering van 'breedte' (sport voor de massa) sport, enz. Het effect daarvan zullen we pas na vele jaren gaan zien, dus moeten we ook investeren om effecten op korte termijn te behalen, zoals het afremmen en stoppen van al opgetreden ziekte, aangeduid als secundaire preventie. Ontdekken van diabetes en goed behandelen kan veel schade aan vaten en organen voorkomen of uitstellen. Vroege opsporing maakt het mogelijk kanker te genezen in veel gevallen en voorkomt ingrijpende en soms misvormende operaties en zware chemokuren. Het spreekt vanzelf dat dit ook een enorme kostenbesparing kan opleveren. Daarom heeft minister Klink de verzekeraars ook gevraagd meer preventie 'in te kopen' bij ziekenhuizen en vooral ook huisartsen. In ons gesprek vandaag met de GGD benadruk ik dat ook. Het vraagt wel om een andere kijk op de rol van het openbaar bestuur en GGD op preventie. Gemeenten roepen al wel dat de zorg dichter bij huis, in de wijk, moet worden aangeboden, ook door het ziekenhuis. Dat biedt juist voor preventie en vroege opsporing wel goeie aanknopingspunten. Waar begin je als je gericht bent op curatieve zorg? Niet zo moeilijke; bij familieleden van patiënten met diabetes en hart- en vaatziekten. Dat gebeurt nu niet of in ieder geval niet systematisch. Voorwaarde is wel dat de zorgverzekeraar wil betalen voor een dergelijke aanpak. Dat zou vrij ver kunnen gaan bijv. tot en met de mogelijkheid van (PET)CT en MRI bij de vroege opsporing van kanker bij doelgroepen. Dan hoeft men ook niet meer naar Duitsland hiervoor naar firma's als PRESCAN.
Vanavond overleggen de voorzitters van de Raden van Commissarissen/toezicht en Raden van Bestuur van de ziekenhuizen MST en van Almelo Hengelo (ZGT) in Carelshaven in Delden over mogelijke vormen van samenwerking. De wil is er, de vorm is een lastiger thema nu de politiek al haar kaarten heeft gezet op markt, mededinging en concurrentie als motor voor doelmatigheid. Voor de basiszorg is dat geen probleem, maar voor de complexe en topklinische zorg is het dat wel. Het volume complexe ingrepen heeft duidelijk invloed op kwaliteit en veiligheid. Nu al moeten ziekenhuizen sommige ingrepen, door de inspectie aangespoord, overlaten aan andere ziekenhuizen. Dat moeten we in Twente vóór zijn en bezien hoe we verantwoord concentreren waar de beste kwaliteit kan worden gerealiseerd. Van belang is dat we de zorg binnen Twente kunnen blijven leveren en de patiënt niet onnodig naar Groningen of de randstad hoeft uit te wijken. We gaan met positieve intenties uiteen.
J. Herre Kingma
|