
Voor de tweede maal dit jaar bezoekt het presidium van de Gezondheidsraad de Universiteit Twente. Daarbij betrekt zij ook het MST, dat in de beeldvorming een beetje het gat van het ontbrekende academisch ziekenhuis opvult. Dat klinkt aardig, maar zijn we niet en dat merken we dagelijks in de mismatch tussen mogelijkheden en noden. Dat betekent niet dat Twente niet een logische plek zou zijn voor een UMC. Een heel natuurlijke zelfs, naast een UT die gezondheidszorg en health zo nadrukkelijk in haar tabula opneemt. Maar dat realiseren, zoals ooit wel het plan geweest is, kan alleen met een zeer krachtige en mega investering en – belangrijker – kan alleen bij consequent voorbij gaan aan het koor van protesten en negatieve adviezen uit de academische wereld dat er al veel te veel UMC’s zijn in ons kleine landje. Dat is ook maar al te waar, het kan ook met een paar UMC’s minder, maar dan wel beter gespreid. Een interessant alternatief zou zijn om afdelingen van topklinische ziekenhuizen, die zich door academische kwaliteit en casemix onderscheiden ook als zodanig te behandelen. Zo’n afdeling zou ook haar budget opgehoogd moeten zien met de academische component. Dat zou het makkelijker maken om complexe en topklinische zorg daadwerkelijk en onder duurzame condities te leveren in de regio. Omstreeks de lunch arriveert het gezelschap bestaande uit voorzitter prof. André Knottnerus en vicevoorzitter prof. Marianne de Visser, gesecondeerd door de secretaris dr. Anneke Wybenga. Ook voorzitter Dr Anne Flierman en secretaris Maurice Essers van het college van bestuur van de UT zijn meegekomen, evenals prof. van de Laar, UT hoogleraar en onze manager medical school, die ik liever zou begiftigen met de titel decaan medical school. Die past beter bij onze ambitie. Wij presenteren de Gezondheidsraad de plannen die we met het ziekenhuis hebben. De versterking van de samenwerking met de UT op een vijftal zwaartepunten, de organisatie van MST in klinische centra, de relatie met onze omgeving volgens het Plato concept: een plaats en tijd onafhankelijk continuüm van zorg, waarin het ziekenhuis een deel is van het netwerk naar menselijke maat en niet meer de ongenaakbare monoliet, waar het bedrijf centraal staat in plaats van de patiënt. Men vindt onze concepten en plannen prachtig en snel tot stand gekomen voor de relatief korte periode dat het nieuwe bestuur er zit. Dat is waar, vinden wij ook zelf wel, maar the proof of the puddung is in the eating, kortom hoe voeren we het uit en hoe betalen we het allemaal. Wordt vervolgd.
Aan het eind van de middag zitten we weer aan de andere kant van het spectrum van zorg, de spoedeisende zorg in de eerste lijn en de verbinding met de tweede lijn, in casu de spoedeisende hulppost in Oldenzaal. De huisartsen Davids en Bloemen komen in gezelschap van mevrouw Noltes, directeur van de gecombineerde centrale huisartsenpost Enschede - Oldenzaal. Van onze kant praten mee de chirurg Geelkerken, SEH hoofd en clustermanager Schenkeveld en de programma directeur Oldenzaal Milto Christopoulos. Op 1 november 2009 loopt de relatie SEH Oldenzaal met de huisartsenpost Oldenzaal af. Wij zouden het verstandig vinden om niet te wachten tot we dat tijdstip naderen, maar nu te gaan nadenken over de vraag hoe we de spoedeisende zorg in Oldenzaal op een verantwoord peil houden. Eigenlijk gaat het dan om de hele spoedeisende keten van thuis tot in het ziekenhuis. Er volgt een energieke en productieve discussie, mede gestimuleerd door recente uitspraken in het landelijke circuit over de toekomst van de organisatie van de eerste hulp in ziekenhuizen, waarbij een huisartsenpost is gevestigd. Mevrouw Noltes en Milto Christopoulos worden gevraagd wat mogelijkheden en randvoorwaarden te formuleren. Die kunnen dan leidraad zijn in de gesprekken met de huisartsen van Oldenzaal en omgeving en vanzelfsprekend, het management van de centrale huisartsenpost.
J. Herre Kingma
|