
Vandaag bezoek ik de najaarsvergadering van de Nederlandse Vereniging voor Cardiologie. Ik ben gevraagd de Wenckebach Lezing te houden. Wenckebach was een cardioloog (avant la lettre, want cardiologie bestond rond 1900 nog niet als apart specialisme) van internationale allure en wordt beschouwd als de grondlegger van de Nederlandse cardiologie.
Het is een eer de lezing te mogen houden maar de voorbereidingstijd was wel erg kort en ook ben ik wel wat ver verwijderd geraakt van de cardiologie sinds ik mijn praktijk heb neergelegd in 2000. De vraag is dus wat ík mijn oud collegae voor nuttige boodschap zou kunnen brengen.
De vergadering wordt, weg van de wereld, gehouden in een hotel in de bossen bij Ermelo. De bijeenkomst beslaat twee en een halve dag en is compact en efficiënt gevuld met een combinatie van wetenschap, nascholing en beroepsaangelegenheden. Mijn lezing is aan het eind van deze vrijdag. Ik heb het over de maatschappelijke rol van de arts, c.q. cardioloog in de gezondheidszorg, respectievelijk de samenleving. Kern van mijn betoog is dat de arts aan het eind van de negentiende eeuw zich maatschappelijker bewoog en zich sterker op de samenleving richtte dan de dokters vandaag de dag. Wenckebach zelf bijvoorbeeld was niet alleen een groot wetenschapper, maar zette zich ook een paar jaar in als voorzitter van de artsenorganisatie, (toen nog niet Koninklijke) Maatschappij voor de Geneeskunst. De snelheid van vooruitgang in kennis en mogelijkheden in die 100 jaar is groter dan in de 100 eeuwen beschaving daarvoor, maar de invloed van de dokter op het reilen en zeilen van de gezondheidszorg is juist in die periode sterk verminderd ten gunste van die van managers, bestuurders en politici.
Geneeskunde is in die 100 jaar verbreed tot gezondheidszorg en daarmee meer en meer domein geworden van politiek, overheid en verzekeraars. In dat proces is de dokter aan de kant komen te staan. De voorzitter van de American Medical Association Susan Knobel riep 10 jaar geleden al: ‘the doctor is pushed out of the process’… Waar, maar dat heeft hij naar mijn mening voor een deel ook aan zichzelf te danken. Eén van de redenen is juist die snelle vooruitgang. Die heeft de medicus de kliniek ingezogen, waar alle aandacht ook wel naar die immense en aanhoudende vooruitgang moest gaan. Deze enorme 'waardecreatie' is te lang alleen het belang van arts, kliniek en wetenschap geweest en te weinig zichtbaar verbonden met concrete patiëntenbelangen. Er zijn wel veranderingen in de goede richting te bespeuren, met name ook bij de cardiologen. Neem de PLAVIX zaak. Na flinke strijd voor en achter de politieke schermen en belangrijker, de verbinding van het wetenschappelijk belang en het patiëntenbelang, lijkt het toch goed te komen met de vergoeding van PLAVIX na een dotterprocedure. Maar het is maar een allereerste begin.
Aan het diner zit ik naast Wiebe Jaarsma, de voorzitter van de vereniging en oud collega uit mijn tijd als cardioloog in Nieuwegein. We hebben het over de combinatie van besturen en praktiseren. Maat houden is cruciaal, voor jezelf en je omgeving, privé en de maatschap. Aan mijn linker zijde zit Harry Crijns, hij was assistent in opleiding in Groningen, terwijl ik daar als 'jonge klare' zat voor ik naar Nieuwegein uitvloog. Hij is hoogleraar in Maastricht en een succesvolle onderzoeker. Wij delen een passie voor de studie van de meest voorkomende ritmestoornis bij de mens, het boezemfibrilleren. Hij is de inkomend voorzitter van de vereniging. Hij uit zijn zorgen over de medische bezetting van de hartbewakingsafdelingen in de grote centra. Daar kunnen we last gaan krijgen van de wet van de vertragende voorsprong. De hartbewaking, ontstaan eind jaren '60, was er eerder dan de intensive care (IC) afdeling. Op de IC werken in de meeste, zo niet alle ziekenhuizen inmiddels intensive care specialisten, steeds vaker met een IC aantekening. In de cardiologie groeit ook de noodzaak cardiologen met specifieke IC vaardigheden in te zetten op de hartbewakingsafdeling, nu steeds zwaardere gevallen, met name ook na complexe dotterprocedures die afdelingen bevolken.
Ik besluit te blijven overnachten dus kan ik nog een glas drinken in de bar en spreek daar vele oud collega's uit mijn passé defini.
|