
Bert Vos en ik overleggen met de medisch coördinator heelkunde Pieter de Smit over de capaciteit en bekostiging van arts-assistenten. Daarbij komt o.m. aan de orde de onevenredig grote inspanning om de SEH Oldenzaal tijdens onrendabele uren open te houden en het sinds kort veel lagere aantal chirurgische assistenten in opleiding, cq nu te bekostigen via het opleidingsfonds. We concluderen dat een fundamentele en duurzame oplossing voor de lange termijn nodig is en voor de korte termijn, nu, een overgangsregeling met bijpassende financiering. Voor de lange termijn moet ook aan de mogelijkheid gedacht worden de spoedeisende en acute hulp buiten 'kantoortijden' vanuit een breder, dus vanuit meer disciplines inzetbare assistentenpool te gaan dekken. Te denken valt dan ook aan de inzet van snelle interventieteams t.b.v. spoedeisende situaties in het ziekenhuis, opererend vanuit IC en/of SEH, waardoor met een 'lichtere' dienst-bezetting per discipline zou kunnen worden volstaan. Dat kan overigens niet zomaar, want zo'n bredere inzet moet ook mogelijk gemaakt worden binnen de opleidingsschema's van specialistenopleidingen.
Aansluitend hebben we een papieren crisisoefening. Marianne Lensink en ik vervullen onze rol als Raad van Bestuur en constateren dat de positie en rol daarvan nog wel enige verheldering verdient. Wordt vervolgd.
Vanmiddag woon ik een congres van de Orde bij over de gevolgen van de stelselwijziging en de daarmee samenhangende veranderingen, die op til zijn. Na voorzitter Pieter Vierhout treed ik zelf op met een verhaal dat focust op de veranderingen voor het ziekenhuis en de praktijkvoering van de specialist. In mijn blog van gisteren liep ik er al even op vooruit. Er is na mijn verhaal enige vraag naar mijn power point presentatie, waaruit ik afleid dat die goed is gevallen. Er is ook een verhaal van een jurist van Nijsingh uit Zwolle. Hij betrekt de stelling dat de specialist in de nieuwe constellatie áán en niet meer via het ziekenhuis declareert, wat zou kunnen impliceren dat zijn vrije ondernemerschap op de tocht zou komen te staan, cq niet meer vanzelfsprekend is. We zijn in één klap weer tien jaar terug, toen ik zelf voorzitter van de Orde was en voortdurend in de weer was met fiscaliteit en vrije beroep en een regeling moest maken met de minister van VWS, toen Borst en de staatssecretaris van financiën, toen Willem Vermeend, om het vrije ondernemerschap voor een periode van tien jaar vast te leggen. De boodschap geeft lichte consternatie in de zaal, waarbij de pijlen zelfs even op de brenger/interpretator van de boodschap worden gericht. Dat is niet zo zinvol. Wat wel blijkt dat met alle nieuwe regelgeving er dus debat blijft omtrent de mate van ondernemersstatus van de vrijgevestigde specialist. Dat is jammer en zal weer veel hoofdbrekens (en geld ter dekking van kostbare juridische adviezen) kosten die we ons beter kunnen maken om de zorg beter en veiliger in te richten.
J. Herre Kingma
|