
Om kwart over negen open ik ons weekrapport met de opvatting over openbaarheid van het functioneren van ziekenhuizen van de nieuwe minister van volksgezondheid Ab Klink. Die zei zaterdag in de NRC dat ziekenhuizen hun fouten en complicaties moeten melden, dan zouden patiënten ziekenhuizen met veel medisch ongerief kunnen mijden. Dat principe past in de onstuitbare ontwikkeling naar meer openheid in de wereld van de ziekenhuizen. We zullen er rekening mee moeten houden dat al datgene wat we weten door onderzoek of anderszins, nolens volens, breder bekend zal worden. Dat is niet alleen een opvatting die in de samenleving terrein wint, het is domweg ook een technisch gevolg van de digitale revolutie. Veel informatie verschijnt vroeg of laat op het internet en dan is het zo goed als public domain. Niet dat dat ons altijd veel gelukkiger maakt, de geneeskunde is en blijft een doos van Pandora, waar je soms als patiënt maar beter niet in kunt kijken. Volgens de mythe rest dan alleen nog de Hoop. Maar goed, als de informatie er eenmaal is, wil iedereen erbij kunnen. Om dat op een zinvolle en ordelijke wijze mogelijk te maken, moeten de ziekenhuizen hun uitkomsten op inzichtelijke en vergelijkbare wijze openbaar maken.
Dr. Renée van den Brink belt, opleider cardiologie AMC. Onlangs visiteerde ze samen met dr. Wybren Jaarsma onze afdeling cardiologie. Ze wil mijn akkoord op de inhoud van het gesprek van de Raad van Bestuur met de visitatie commissie. De stukken zijn zoek en worden in de loop van de dag gevonden. Naar blijkt ben ik zelf de schuldige aan deze administratieve disorder, want ik was al gemaild en gemaand te reageren. Voor administratie heb ik nooit een goed cijfer gekregen. Ik beken dus schuld en bel Renée. In de tekst van het verslag is de visie van de RvB op de cardiologie goed verwoord.
De lunch, die ik vandaag zou hebben met mensen van de OK heb ik vorige week moeten laten afzeggen, nu ik op zo korte termijn werd uitgenodigd voor een gesprek met de 'formateur' voor een nieuw provinciebestuur. Ik hoop dat men begrijpt dat je als voorzitter van dit grote bedrijf af en toe prioriteiten krijgt voorgeschoteld, waarvoor een soms lang geleden gemaakte afspraak moet wijken. Het is niet anders. Gelukkig komt dat niet zo heel vaak voor. In mijn Haagse baan was dat schering en inslag en dat stelt je geloofwaardigheid wel eens op de proef. De maandelijkse lunchgesprekken met medewerkers hebben overigens een volstrekt informeel karakter. Ik ben ermee begonnen omdat je op de directievloer ongewild toch veel mist van wat op de werkvloer leeft. Het is zeker niet bedoeld als ‘levelskipping’ oftewel besturen over en om de lijnfunctionarissen heen, de indrukken die ik opdoe tijdens deze zeer waardevolle gesprekken helpen mij, cq de Raad van Bestuur wel bij het nemen van de juiste beslissing. Overigens moet ik ook verstek laten gaan bij het DB van de OR, dat we vandaag weer briefen over de voortgang van het STIPT proces.
Om kwart voor elf spoed ik me naar Zwolle, waar de fracties, die het provinciebestuur willen vormen formatie besprekingen voeren onder leiding van de heer Hendricx, de oud CdK. De genodigden zijn grotendeels leden van het Innovatieplatform Twente (IPT). Wim Meijer, voorzitter van het IPT geeft de aftrap met een beschouwing over nut en doel van het systematisch bevorderen van innovatie in Twente. Daarna geven de afzonderlijke leden hun visie vanuit hun achtergrond en portefeuille. Ik zit naast mevrouw Roeters van de hogeschool VU/Windesheim in Zwolle en geef haar na mijn verhaal de stukken die wij geproduceerd hebben over plaats en tijd onafhankelijke (PLATO)zorg en de daarmee samenhangende ideeën voor de Twentse Academie Gezondheidszorg. Ik benadruk tegenover de politici nog eens mijn stelling dat werkgelegenheid in de zorg geen eigen groeidoelstelling heeft, maar dat wij, in tegendeel, juist willen bewerkstelligen, dat het beslag op arbeid dat de gezondheidszorg legt, in de toekomst willen en moeten beperken door slimmer en efficiënter te werken.
Terug in MST praat ik met Bert Vos en Cindy Winkel over de voortgang van het project EBC Oldenzaal en de rol van SIMED. Die is wel veranderd na het vertrek van Paul Sloot. Wordt vervolgd.
Eind van de middag bezoeken we met de Raad van Bestuur in het kader van onze ronde langs de maatschappen de vakgroep Neurochirurgie. We bespreken zorgen en ambities van de groep. Men stelt dat MST niet zo 'neuro' minded is. We lopen de mogelijkheden langs hoe het vakgebied van de neurologie-neurochirurgie beter te positioneren. Welke zorgketens kunnen we bouwen of accentueren om dat te bevorderen. Ik noem ook de ambitie van de revalidatieartsen de integrale zorg voor de dwarslaesie/patiënt te intensiveren. We spreken over coiling, dat wil zeggen de percutane transvasculaire benadering van vaatanomalieën. Last but not least spreken we over neuromodulatie. Dat is een bijna futuristisch gebied, waar tegenwoordig zelfs depressieve patiënten van hun depressie afgeholpen lijken te kunnen worden door neuromodulatie. Een pacemaker in plaats van een antidepressivum. Er is nog veel onderzoek nodig om de mogelijkheden in beeld te brengen. Wel wijst men op de gevaren van commercialisering, zoals die zich ook elders in de geneeskunde voordoet wanneer implanteerbare devices hun intrede doen.
Op weg terug naar onze directieruimten worden we onderschept door onder andere Louis Wesselink met wie we de lift naar de anders voor gewone stervelingen onbereikbare en verboden hoogste verdieping van ons gebouw nemen. We krijgen de vervanging te zien, die in volle gang is, van de hoofdstroomverdeelinrichting. Een duidelijk georganiseerde, maar voor ons toch een wirwar van kabels en schakelaars om de duizenden volts om te vormen naar werkbare netspanning. Onder de indruk van dit technisch geweld, dalen we weer af naar de bewoonde wereld en sluiten onze dag af.
J. Herre Kingma
|