
J. Herre Kingma - In het weekrapport besteden we aandacht aan de nieuwsberichten over patiëntveiligheid de afgelopen week en mijn reactie daarop op onze site. Die heeft geleid tot een stukje in de Telegraaf en een interview in ARGOS.
Het onderscheid dat ik duidelijk wil maken tussen de disfunctionerende dokter en de fouten op systeemniveau lijkt te zijn overgekomen. Overigens moeten we ons het terecht kritische rapport van de IGZ over de veiligheid van het operatieve proces wel aantrekken, zeker waar wij zelf als een van de weinige ziekenhuizen in Nederland nog steeds geen preoperatieve screening (POS) hebben gerealiseerd. Daar moet inhoudelijk en zakelijk overeenstemming over bereikt worden op korte termijn.
Met Ellen Zanderink begin ik aan een stapeltje van zes jaargesprekken van de afgelopen weken, waarover ik nog moet berichten. Ik doe dat in de vorm van een brief, eventueel te hechten aan het gespreksformulier. Alle gesprekken zijn de eerste in hun soort, d.w.z. het is het eerste gesprek ooit in deze functie. Dat heeft alles te maken met de bestuurscrisis in 2005 en de inzet van een interim Raad van Bestuur. Dan blijven dit soort personeelsplichten gemakkelijk liggen.
Om half twee heb ik in gezelschap van Mart van de Laar, manager Medical School een gesprek met de visitatiecommissie Cardiologie. Die bestaat uit Wiebe Jaarsma, oud-collega en opleider uit de maatschap Cardiologie in het Sint Antonius Ziekenhuis in Nieuwegein en Renée van de Brink, cardioloog en opleider cardiologie in het AMC. Hoe lang duurt het nog voordat de klinische afdeling, waaronder de hartbewakingsafdeling van het Ariënsplein overgaat naar het nieuwe Thoraxcentrum aan de Haaksbergerstraat, vraagt de commissie de Raad van Bestuur. Daar moet het lange termijn huisvestingsplan een antwoord op geven, is mijn antwoord en de Cardiologie moet daarin concurreren met andere prioriteiten, die soms nog veel ongunstiger zijn gehuisvest. De afdeling Cardiologie ontwikkelt zich goed, ook op wetenschappelijk gebied. De benoeming van Clemens von Birgelen
tot hoogleraar aan de UT vorige week is een mooie bekroning en erkenning.
Om zes uur ga ik met Frans Wolbers naar Oldenzaal. Daar spreek in met een aantal huisartsen uit Noord-Oost Twente over wat we tot nu toe aanduiden als het profiel van het ziekenhuis in Oldenzaal. Dan gaat het eerst en vooral om het behoud en waar mogelijk uitbouw van de functie buitenpolikliniek en de vormgeving van het Electief Behandelcentrum. Ook willen we bestaande knelpunten die de huisartsen ervaren, snel en praktisch tot oplossing brengen. We onthouden ons van grootse plannen en vergezichten. Men heeft in het verleden te vaak en te veel plannen gehoord en het MST is, vind ik zelf ook, nu eerst aan zet om te leveren. In goede harmonie gaan wij uiteen, waarbij blijkt dat één van de huisartsen, Yvonne Schilthuis uit Oldenzaal, op dezelfde middelbare school in Rotterdam-Hillegersberg heeft gezeten als ik, zelfs hadden we dezelfde leraar Latijn en praten nog even over zijn tamelijk bizarre gedrag, vonden wij althans toen als scholieren. Het is en blijft een kleine wereld.
Op weg naar huis bel ik met Paul Sloot, die vanuit SIMED het project Oldenzaal leidde. Hij zal morgen niet bij het gesprek zijn met Sytse Zoodsma van SIMED over de volgende stappen met betrekking tot de ontwikkeling van het Electief Behandel Centrum Oldenzaal. Uit beeld dus, maar zo gaat dat met de contacten in het bedrijfsleven wel vaker. Hoewel, in de ziekenhuiswereld wisselen bestuur en management soms ook sneller dan je geheugen kan bijhouden.
De makelaar belt ook nog en wil ons een interessant huis laten zien, dus weer even een gemeenschappelijk gaatje vinden in de agenda's op het werk en thuis.
Thuis gekomen is het kwart voor tien en kom ik niet veel verder dan een beetje televisie kijken, waar ik een deel zie van een interessante documentaire over nazi Hermann Göring, de rijksmaarschalk in het derde rijk, een tragi-komisch beest in operette uniform, die zelfmoord pleegde met cyaankali - wie gaf hem dat? - in zijn cel aan de vooravond van zijn beoogde executie door ophanging. Het was het eerste vonnis uit de Neurenbergse processen in oktober '46, anderhalf jaar voor mijn geboorte. Ik behoor met mijn generatie tot de voorhoede van de naoorlogse geboortegolf, die de Tweede Wereldoorlog zelf niet hebben meegemaakt, maar er wel voortdurend uit de eerste hand nolens volens over gehoord hebben. Een vreemd contrast tussen een generatie die - vond men zelf en dat is ook zo - heel veel mee had gemaakt en de onze die volgens die oude generatie nooit iets had meegemaakt en volgens sommige nooit iets van dien aard zou meemaken. Ook dat is waar en daar mogen we heel blij om zijn. Wel één van de mechanismes, drivers, van een echt generatieconflict, dat zich maatschappij breed ontlaadde in mijn eerste studiejaar 1968 met de Parijse studentenopstanden, later overwaaiend naar Nederland met als laat gevolg de introductie van de permissive society. Dat was de alles moet kunnen samenleving uit de jaren '70 met een vrijwel grenzeloze, soms ver over zijn doel heen schietende democratiseringsgolf in scholen, universiteiten en bedrijven. Het was misschien toch ook een machtsstrijd tussen generaties. Gek genoeg heeft die 'bevrijding' zich in de ziekenhuizen maar zeer gedeeltelijk voltrokken. Veel oude patronen zijn daar blijven bestaan, misschien wel omdat macht daar heel sterk is verbonden met kennis en kunde, die het succes van de dagelijkse operatie in hoge mate bepalen. En zo komt alles weer uit bij wat mij dagelijks bezighoudt.
|